verb forms of vaccineren

Gebrauch -
Trennbar -
Tegenwoordig en verleden deelwoord vaccinerend
und gevaccineerd


  Ich Du Er/Sie/Es Wir Ihr Sie
Presens vaccineer vaccineert vaccineert vaccineren vaccineren vaccineren
Imperfect vaccineerde vaccineerde vaccineerde vaccineerden vaccineerden vaccineerden
Toekomende tijd I zal vaccineren zult vaccineren zal vaccineren zullen vaccineren zullen vaccineren zullen vaccineren
Conditionalis I zou vaccineren zou vaccineren zou vaccineren zouden vaccineren zouden vaccineren zouden vaccineren
Perfectum heb gevaccineerd hebt gevaccineerd heeft gevaccineerd hebben gevaccineerd hebben gevaccineerd hebben gevaccineerd
Voltooid verleden tijd had gevaccineerd had gevaccineerd had gevaccineerd hadden gevaccineerd hadden gevaccineerd hadden gevaccineerd
Toekomende tijd II zal gevaccineerd hebben zult gevaccineerd hebben zal gevaccineerd hebben zullen gevaccineerd hebben zullen gevaccineerd hebben zullen gevaccineerd hebben
Conditionalis II zou hebben gevaccineerd zou hebben gevaccineerd zou hebben gevaccineerd zouden hebben gevaccineerd zouden hebben gevaccineerd zouden hebben gevaccineerd
Imperatief - vaccineer - - vaccineert -

« vaccineren »


synonyms vaccineren · translations vaccineren

Look up vaccineren in Dutch dictionary for verbs and conjugation.

Top search queries dictionary English

1 - 200 · 201 - 1000 · 1001 - 2000 · 2001 - 3000 · 3001 - 4000 · 4001 - 5000 · 5001 - 7000 · 7001 - 10000 · 10001 - 20000 · 20001 - 50000