verb forms of sprenkelen

Gebrauch -
Trennbar -
Tegenwoordig en verleden deelwoord sprenkelend
und gesprenkeld


  Ich Du Er/Sie/Es Wir Ihr Sie
Presens sprenkel sprenkelt sprenkelt sprenkelen sprenkelen sprenkelen
Imperfect sprenkelde sprenkelde sprenkelde sprenkelden sprenkelden sprenkelden
Toekomende tijd I zal sprenkelen zult sprenkelen zal sprenkelen zullen sprenkelen zullen sprenkelen zullen sprenkelen
Conditionalis I zou sprenkelen zou sprenkelen zou sprenkelen zouden sprenkelen zouden sprenkelen zouden sprenkelen
Perfectum heb gesprenkeld hebt gesprenkeld heeft gesprenkeld hebben gesprenkeld hebben gesprenkeld hebben gesprenkeld
Voltooid verleden tijd had gesprenkeld had gesprenkeld had gesprenkeld hadden gesprenkeld hadden gesprenkeld hadden gesprenkeld
Toekomende tijd II zal gesprenkeld hebben zult gesprenkeld hebben zal gesprenkeld hebben zullen gesprenkeld hebben zullen gesprenkeld hebben zullen gesprenkeld hebben
Conditionalis II zou hebben gesprenkeld zou hebben gesprenkeld zou hebben gesprenkeld zouden hebben gesprenkeld zouden hebben gesprenkeld zouden hebben gesprenkeld
Imperatief - sprenkel - - sprenkelt -

« sprenkelen »


synonyms sprenkelen · translations sprenkelen

Look up sprenkelen in Dutch dictionary for verbs and conjugation.

Top search queries dictionary English

1 - 200 · 201 - 1000 · 1001 - 2000 · 2001 - 3000 · 3001 - 4000 · 4001 - 5000 · 5001 - 7000 · 7001 - 10000 · 10001 - 20000 · 20001 - 50000