verb forms of prononceren

Gebrauch -
Trennbar -
Tegenwoordig en verleden deelwoord prononcerend
und geprononceerd


  Ich Du Er/Sie/Es Wir Ihr Sie
Presens prononceer prononceert prononceert prononceren prononceren prononceren
Imperfect prononceerde prononceerde prononceerde prononceerden prononceerden prononceerden
Toekomende tijd I zal prononceren zult prononceren zal prononceren zullen prononceren zullen prononceren zullen prononceren
Conditionalis I zou prononceren zou prononceren zou prononceren zouden prononceren zouden prononceren zouden prononceren
Perfectum heb geprononceerd hebt geprononceerd heeft geprononceerd hebben geprononceerd hebben geprononceerd hebben geprononceerd
Voltooid verleden tijd had geprononceerd had geprononceerd had geprononceerd hadden geprononceerd hadden geprononceerd hadden geprononceerd
Toekomende tijd II zal geprononceerd hebben zult geprononceerd hebben zal geprononceerd hebben zullen geprononceerd hebben zullen geprononceerd hebben zullen geprononceerd hebben
Conditionalis II zou hebben geprononceerd zou hebben geprononceerd zou hebben geprononceerd zouden hebben geprononceerd zouden hebben geprononceerd zouden hebben geprononceerd
Imperatief - prononceer - - prononceert -

« prononceren »


synonyms prononceren · translations prononceren

Look up prononceren in Dutch dictionary for verbs and conjugation.

Top search queries dictionary English

1 - 200 · 201 - 1000 · 1001 - 2000 · 2001 - 3000 · 3001 - 4000 · 4001 - 5000 · 5001 - 7000 · 7001 - 10000 · 10001 - 20000 · 20001 - 50000