verb forms of instomen

Gebrauch -
Trennbar in
Tegenwoordig en verleden deelwoord instomend
und ingestoomd


  Ich Du Er/Sie/Es Wir Ihr Sie
Presens stoom in stoomt in stoomt in stomen in stomen in stomen in
Imperfect stoomde in stoomde in stoomde in stoomden in stoomden in stoomden in
Toekomende tijd I zal instomen zult instomen zal instomen zullen instomen zullen instomen zullen instomen
Conditionalis I zou instomen zou instomen zou instomen zouden instomen zouden instomen zouden instomen
Perfectum ben ingestoomd bent ingestoomd is ingestoomd zijn ingestoomd zijn ingestoomd zijn ingestoomd
Voltooid verleden tijd was ingestoomd was ingestoomd was ingestoomd waren ingestoomd waren ingestoomd waren ingestoomd
Toekomende tijd II zal ingestoomd zijn zult ingestoomd zijn zal ingestoomd zijn zullen ingestoomd zijn zullen ingestoomd zijn zullen ingestoomd zijn
Conditionalis II zou zijn ingestoomd zou zijn ingestoomd zou zijn ingestoomd zouden zijn ingestoomd zouden zijn ingestoomd zouden zijn ingestoomd
Imperatief - stoom in - - stoomt in -

« instomen »


synonyms instomen · translations instomen

Look up instomen in Dutch dictionary for verbs and conjugation.

Top search queries dictionary English

1 - 200 · 201 - 1000 · 1001 - 2000 · 2001 - 3000 · 3001 - 4000 · 4001 - 5000 · 5001 - 7000 · 7001 - 10000 · 10001 - 20000 · 20001 - 50000