verb forms of afvaardigen

Gebrauch -
Trennbar af
Tegenwoordig en verleden deelwoord afvaardigend
und afgevaardigd


  Ich Du Er/Sie/Es Wir Ihr Sie
Presens vaardig af vaardigt af vaardigt af vaardigen af vaardigen af vaardigen af
Imperfect vaardigde af vaardigde af vaardigde af vaardigden af vaardigden af vaardigden af
Toekomende tijd I zal afvaardigen zult afvaardigen zal afvaardigen zullen afvaardigen zullen afvaardigen zullen afvaardigen
Conditionalis I zou afvaardigen zou afvaardigen zou afvaardigen zouden afvaardigen zouden afvaardigen zouden afvaardigen
Perfectum heb afgevaardigd hebt afgevaardigd heeft afgevaardigd hebben afgevaardigd hebben afgevaardigd hebben afgevaardigd
Voltooid verleden tijd had afgevaardigd had afgevaardigd had afgevaardigd hadden afgevaardigd hadden afgevaardigd hadden afgevaardigd
Toekomende tijd II zal afgevaardigd hebben zult afgevaardigd hebben zal afgevaardigd hebben zullen afgevaardigd hebben zullen afgevaardigd hebben zullen afgevaardigd hebben
Conditionalis II zou hebben afgevaardigd zou hebben afgevaardigd zou hebben afgevaardigd zouden hebben afgevaardigd zouden hebben afgevaardigd zouden hebben afgevaardigd
Imperatief - vaardig af - - vaardigt af -

« afvaardigen »


synonyms afvaardigen · translations afvaardigen

Look up afvaardigen in Dutch dictionary for verbs and conjugation.

Top search queries dictionary English

1 - 200 · 201 - 1000 · 1001 - 2000 · 2001 - 3000 · 3001 - 4000 · 4001 - 5000 · 5001 - 7000 · 7001 - 10000 · 10001 - 20000 · 20001 - 50000