verb forms of aanschieten
| Gebrauch | - |
|---|---|
| Trennbar | aan |
| Tegenwoordig en verleden deelwoord | aanschietend |
| und | aangeschoten |
| Ich | Du | Er/Sie/Es | Wir | Ihr | Sie | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Presens | schiet aan | schiet aan | schiet aan | schieten aan | schieten aan | schieten aan |
| Imperfect | schoot aan | schoot aan | schoot aan | schoten aan | schoten aan | schoten aan |
| Toekomende tijd I | zal aanschieten | zult aanschieten | zal aanschieten | zullen aanschieten | zullen aanschieten | zullen aanschieten |
| Conditionalis I | zou aanschieten | zou aanschieten | zou aanschieten | zouden aanschieten | zouden aanschieten | zouden aanschieten |
| Perfectum | heb aangeschoten | hebt aangeschoten | heeft aangeschoten | hebben aangeschoten | hebben aangeschoten | hebben aangeschoten |
| Voltooid verleden tijd | had aangeschoten | had aangeschoten | had aangeschoten | hadden aangeschoten | hadden aangeschoten | hadden aangeschoten |
| Toekomende tijd II | zal aangeschoten hebben | zult aangeschoten hebben | zal aangeschoten hebben | zullen aangeschoten hebben | zullen aangeschoten hebben | zullen aangeschoten hebben |
| Conditionalis II | zou hebben aangeschoten | zou hebben aangeschoten | zou hebben aangeschoten | zouden hebben aangeschoten | zouden hebben aangeschoten | zouden hebben aangeschoten |
| Imperatief | - | schiet aan | - | - | schiet aan | - |

