verb forms of aanleggen

Gebrauch -
Trennbar aan
Tegenwoordig en verleden deelwoord aanleggend
und aangelegd


  Ich Du Er/Sie/Es Wir Ihr Sie
Presens leg aan legt aan legt aan leggen aan leggen aan leggen aan
Imperfect legde aan legde aan legde aan legden aan legden aan legden aan
Toekomende tijd I zal aanleggen zult aanleggen zal aanleggen zullen aanleggen zullen aanleggen zullen aanleggen
Conditionalis I zou aanleggen zou aanleggen zou aanleggen zouden aanleggen zouden aanleggen zouden aanleggen
Perfectum heb aangelegd hebt aangelegd heeft aangelegd hebben aangelegd hebben aangelegd hebben aangelegd
Voltooid verleden tijd had aangelegd had aangelegd had aangelegd hadden aangelegd hadden aangelegd hadden aangelegd
Toekomende tijd II zal aangelegd hebben zult aangelegd hebben zal aangelegd hebben zullen aangelegd hebben zullen aangelegd hebben zullen aangelegd hebben
Conditionalis II zou hebben aangelegd zou hebben aangelegd zou hebben aangelegd zouden hebben aangelegd zouden hebben aangelegd zouden hebben aangelegd
Imperatief - leg aan - - legt aan -

« aanleggen »


synonyms aanleggen · translations aanleggen

Look up aanleggen in Dutch dictionary for verbs and conjugation.

Top search queries dictionary English

1 - 200 · 201 - 1000 · 1001 - 2000 · 2001 - 3000 · 3001 - 4000 · 4001 - 5000 · 5001 - 7000 · 7001 - 10000 · 10001 - 20000 · 20001 - 50000